Hij ging terug verbaasd nadenkend (Lc.24,12)

^]

 

Bij een bezoek aan een kerkhof zie je nu en dan bij een graf een persoon staan: voor een gebed, voor een memento, om het graf op te kuisen, er een bloemetje te plaatsen. Meestal is het een vrouw.

Vrouwen bij het graf

Vrouwen waren het die het eerst bij het graf van Jezus kwamen. Lucas vermeldt het uitdrukkelijk dat zij er op Goede Vrijdag bij waren toen Jezus in het graf werd gelegd. Kunstenaars hebben hen dan ook afgebeeld in mooie ontroerende monumenten van de graflegging. Er staan er enkele in kerken van ons land, zoals in de Sint Michiels kerk te Bree, in de basiliek Sint Maternus te Walcourt en in de Brusselse kathedraal van Sint Michiel en Sint Goedele.

Rond de dode Jezus staan ze meestal met zeven. Nicodemus en Jozef van Arimathea houden de lijkwade vast. En al zegt geen enkele evangelist dat Maria, de moeder van Jezus, er bij was wanneer Jezus in het graf werd gelegd toch hebben kunstenaars haar bij de graflegging gebracht samen met de apostel Johannes. Naast hen staan Maria Magdalena, Salome en de vrouw van Cleopas. Hun namen verschillen evenwel bij de evangelisten. Dat Maria Magdalena er is, daarover is elke evangelist het eens. Zij is het die in het evangelie van Johannes het nieuws van de verrijzenis overbrengt aan de apostelen.

Uiteraard besluit elke evangelist zijn evangelie met een paasverhaal, dat alleszins de graflegging vermeldt en een verwijzing naar het open graf op de paasmorgen. Alle vier kondigen zij aan dat Jezus verrezen is. Elke evangelist doet dit op zijn eigen wijze. Bij Lucas gebeurt dit in vier schuifjes. Hij vertelt over de vrouwen bij het lege graf, over het koppel op weg naar Emmaüs, over een verschijning van de Heer op Pasen aan de groep van apostelen en dan kort daarna het laatste afscheid, hemelvaart en zending. Bij Lucas volgt daarop nog zijn boek over de Handelingen van de apostelen. Daarin is Gods Geest aan het werk en wordt de verrezen Heer verkondigd.

Mirredraagsters

Wanneer de sabbat voorbij was, waren enkele vrouwen in de vroegte alweer bij het graf. Het was de eerste dag van de week. Zij hadden welriekende kruiden klaargemaakt. Deze vrouwen hebben de naam van de mirredraagsters. De liturgie van de Oosterse kerken schenken hen veel aandacht. De derde zondag na Pasen is de zondag van de mirredraagsters.

Zij vinden daar dat de steen van voor het graf weggerold is en horen er als eersten de boodschap van Pasen. Hun wordt gevraagd om hun blik van richting te veranderen, niet meer terug keren naar wat voorbij is, geen dode te zoeken. “Waarom zoekt ge de levende onder de doden? Hij is niet hier. Hij is verrezen, (Lc.24, 5-, 6). Een uitspraak die tot nu het geloof van de christen bepaalt. Jezus is verrezen. Hij blijft actief. Hij is de levende.

Lucas heeft de vrouwen opgemerkt rondom Jezus en hen in zijn evangelie een plaats gegeven. Zij hebben voor Jezus en de leerlingen gezorgd. Maar als verkondigers van de paasboodschap vinden ze geen gehoor en werden ze niet ernstig genomen. Hun boodschap wordt als verzinsel afgedaan. Het is nochtans deze zin die naderhand zo een centrale plaats krijgt. De verkondiging over Jezus is begonnen bij het gerucht over zijn verrijzenis; Joseph Moingt (1915-2020), een Franse jezuïet, schreef een heel dik boek over Jezus L’homme, qui venait de Dieu. Hij laat het beginnen bij het gerucht dat Jezus verrezen is.

Tot op onze dagen schudden een aantal mensen hierbij het hoofd. Een medewerker van een Franstalige krant schreef in febr. 2022 een artikel waarin hij pleit dat het vak godsdienst behouden blijft, maar dan als een vak met een brede omvattende inhoud, religie heel ruim genomen. Pour un cours de tout! (LLB 24.02.2022). Hij zegt van zichzelf dat hij agnosticus is, en bijgevolg niet gelooft in de Verrijzenis en deze ook niet wenst voor zichzelf.

Opgestaan op de derde dag (Hand. 10,40)

Lucas vermeldt wel dat Petrus naar het graf is gekomen en dat hij minstens “verbaasd nadenkend” vandaar is weggegaan. In de Handelingen verkondigt Petrus heel nadrukkelijk Jezus als de verrezen. Dit doet hij een eerste maal in zijn Pinkstertoespraak (Hand. 2,22-36) en hij doet dit een tweede maal eveneens uitdrukkelijk in zijn toespraak te Caesarea bij de ontmoeting met de romeinse honderdman Cornelius (Hand. 10, 34- 43). Wij horen hem hierover aan het woord in de eerste lezing van de Paaszondag C.

Het oudste geschreven getuigenis over de verkondiging van Paulus is evenwel dit van Paulus in zijn brief aan de christenen van Korinthe. Hij beroept zich daarvoor op wat hij zelf heeft mogen ontvangen langs de overlevering van de gelovige gemeenschap (1 Kor. 15,3-11).  

Bij zijn verblijf in Athene en zijn ontmoeting aldaar op de Areopagus loopt hij echter met zijn boodschap over de Opstanding van Jezus en de opstanding van de doden een blauwtje op. Enkele spotten met hem, anderen zegden dat ze daarover later wel iets zouden willen horen. Toch waren er enkelen die zich in Athene bij Paulus aansluiten (Hand.17,31-34). Het aantal christenen over de wereld neemt nog altijd toe, al zijn er die de kerkgemeenschap verlaten. Ons geloof wordt beproefd. In de voorbije weken was het door de oorlog in Oekraïne met doden, vluchtelingen, vernielingen.

Met Christus verbonden door het doopsel

Paulus heeft in zijn prediking heel sterk de band gelegd tussen Jezus en allen die in zijn naam zijn gedoopt. Gedoopt worden is neerdalen in het water en eruit opstaan, het is gaan van dood tot leven. Zo is de gedoopte een getuige van de gekruisigde en de Verrezen Heer. Hij werkt mee aan een wereld waar het licht belangrijker is dan het duister. “Door de doop in zijn dood zijn wij met hem begraven opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt” (Rom. 6,4).

Tijdens de paaswake wordt op een aantal plaatsen gedoopt en begroet de gemeenschap nieuwkomers in het geloof. Wij worden allen uitgenodigd om onze doopgeloften te hernieuwen. Wij geloven in Jezus, gestorven en verrezen en we zijn vanuit dit geloof bereid ons te verzetten tegen kwaad en onrecht om in vrijheid te leven als volk van God. We beloven God onze Heer te dienen en naar het voorbeeld van Christus onze naaste te beminnen.

Mogen we dan wat we met de mond belijden door onze daden bevestigen. Het geloof in de verrijzenis zou zichtbaar moeten zijn in ons handelen en in ons contact met medemensen.

Bij het onthaal in het psychiatrisch centrum Karus/Melle, dicht bij de kapel, hangt een mooie foto van een verpleegkundige die in een kamer het gordijn wegschuift en het licht binnenlaat. De vreugde om na een nacht van wake bij de zorgvragers een nieuwe dag te beginnen.

Pasen brengt licht in onze duisternis en voedt onze hoop. “Resurrectio Domini, spes nostra - De Verrijzenis van de Heer is onze hoop.” Jezus is voor ons opgestaan, opdat wij, hoewel we sterfelijk zijn, niet hoeven te wanhopen bij de gedachte dat met de dood het leven ten einde zou zijn; Christus is verrezen, om ons hoop te geven. (vgl. H. Augustinus, Sermones. 261, 1).

*

******************$

DE HAND REIKEN

 

Iconenschilders van Pasen,
hun blik reikt heel ver.

Ze laten Jezus neerdalen tot in
het diepste diep.

Met zijn kruis duwt
de Verrezen de poorten van de onderwereld open,
een man in het wit,
een dansende God.

Jezus grijpt de pols van Adam vast;
diens slappe hand ontvangt nieuw leven,
Adam en Eva, een man en een vrouw,
ze komen rechtop
om binnen te treden in een nieuwe gemeenschap.
Jezus redt hen uit de verlatenheid
en hij leidt hen weg uit het graf.

De dood is niet het laatste.
Wanneer de nacht het donkerst is,
dan is de dageraad nabij.
Het paasgeloof is zo sterk
dat het zware stenen wegrolt.

Het laat niet toe
dat we wegzinken en verstikken
in een graf van onmacht,
moedeloosheid en ontgoocheling.
Waar mensen daaruit kunnen opstaan,
mogen de Paasklokken luiden.

Wanneer mensen elkaar de hand reiken,
kan het alleluja klinken.