Aan het slachtoffer

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Een lammetje brengt de lente in beeld: onstuitbaar leven, nieuw en gaaf. Het herinnert aan de oorsprong, en ruikt naar de toekomst. Het huppelt de vrijheid tegemoet met poten op de groei gemaakt. Het lam van Pesach zegt echter méér: het leven wordt telkens bedreigd, moet groeien tegen de ver­drukking in. De dood passeerde ons rakelings; wij moesten haastig eten; ‘het was nog donker'. In het ‘Victimae pascha­li' staat letterlijk het offerdier voorop, het slachtoffer. Dit lied verheft de geringen, de mensenkinderen die moeten leven in de marge, en sterven vóór hun tijd. Wie het kleine eert, is de naam weerd van de Christus, het Lam.

Met ‘schuld' kun je anderen om de oren slaan, isoleren en kleineren. Of je zegt juist: ‘Niemand heeft schuld', en laat al­les bij het oude. Intussen draait de aarde met haar bewoners dol in zichzelf; we gaan van kwaad tot erger, lopen muurvast. Hoe kom je eruit?
Jezus verzoende, door er middenin te gaan staan. Hij verving niet de ene dwingelandij door de andere maar ‘genas allen', ging naast mensen staan in hun donker en licht, koos partij. Solidariteit tot op het kruis: God was met hem; wij gaan voor­taan met God; de weg ligt open.
God zocht en vond ons, in de dienaar Jezus.

Het gevecht tussen dood en leven speelt zich niet af in het graf. Het vindt plaats hier en nu: als ik kiezen moet, als jij mij te na komt, als wij geconfronteerd worden met honger en on­recht op allerlei fronten. Ik kan de strijd ontwijken, maar leef ik dan wel echt? Ik kan vluchten, maar dood na dood zal me treffen in de rug.
Met open vizier heeft Jezus gevochten: tegen de valse hoop van rijken, tegen de wanhoop van armen, god-weet tegen zichzelf. Wij weten wat er gebeurd is; wij weten hoe zoiets af­loopt: ‘Hem hebben ze aan het kruishout geslagen en ver­moord'. Pasen vieren is: met God deze verliezer de winnaar noemen (de ‘rechter over levenden en doden'), en de strijd voortzetten, voort kúnnen zetten.

Maria van Magdala was de eerste getuige van de opstanding toen, zoals vandaag de dwaze moeders der vermisten ons voorgaan en alle vrouwen die treuren om hun doden. Wij mogen doen wat de apostelen ondanks hun haast deden: hen aan het woord laten, hen hun verhaal laten vertellen. Zeg­gen: ‘Vertel maar', om te horen waar we naar toe moeten.
Wat krijgen we te horen van de profetessen die naar het graf gingen, of de straat op? Geen verhalen die af zijn, geen gave theorieën. Ze rijmen niet; ze vertellen stotterend. Ze weten van de reële dood én van het leven daar doorheen, beide. Ze hebben niet begrepen, wel goed gekeken. Dan is de dood geen stoplap meer.

Het was vroeg in de morgen, zegt het evangelie. Maria van Magdala vertrouwde haar ogen nog niet; de leerlingen kon­den nog nauwelijks geloven. Maar de weg lag open: ze kon­den op pad, weg van het graf, naar Galilea, het heidensgewest.
De achtste dag - de eerste - is nog maar net begonnen. Maar de zon is al op; en ook al zien we nog geen tuinman, we zien vandaag wel even de tuin, de schepping zoals bedoeld. In dat prille licht kunnen we op weg naar de woestenij waartoe on­ze aarde verworden is, naar het grensgebied: om putten te slaan, licht te maken, leven op te delven. Daar zal hij zijn, als levend water, licht voor ons uit, ingeloste belofte van leven.

De Romeinse oppergod werd wel genoemd: ‘Iupiter Victor', ‘de zegevierende, de supersterke die de overwinning behaalt'. Zo'n god kun je bewieroken en bejubelen, maar hij blijft ver. Je kunt hem naspelen en imiteren, maar niet echt volgen. Wat wij echter vieren is: dat een slachtoffer winnaar werd. Die wij bezingen is: een dienaar die koning bleek. Zo iemand kan de eerste onder vele broeders en zusters zijn. De Christus is te volgen. Liefde is te doen, trouw is te doen, Pasen is te doen.