Een enorme taak

Om eerlijk te zijn moet ik bekennen dat de inhoud van de eerste lezing enorm interessant is.  Het is zelfs een aangename en goed verstaanbare tekst.  We hebben ooit andere teksten te verwerken gekregen…



Van bij het begin zag de jonge christelijke Kerk drie fundamentele taken:

- de Gods Woord verkondigen,

- biddend en vierend samenkomen en

- dienstwerk verrichten voor mensen in nood.

Aanvankelijk namen de apostelen alle drie die taken op zich. Maar in de eerste lezing horen we dat dit niet langer mogelijk is. Er ontstaan spanningen tussen joodse en niet-joodse christenen, de Hellinisten, (komen uit Griekenland) o.a. over de ondersteuning van de weduwen. Die spanningen moeten opgelost worden.  

Wat ook de reden was, dit speelt nu niet zo’n grote rol, maar er waren spanningen.



De twaalf zeggen heel beslist dat ze de verkondiging van Gods Woord niet willen verwaarlozen ten voordele van het dienstbetoon, maar tegelijk mag dat dienstbetoon niet achtergesteld worden. Daarom stellen ze voor dat de gemeenschap zeven mannen uit haar midden zou kiezen die voor het dienstbetoon zouden instaan. Zijzelf zouden zich op de verkondiging blijven concentreren.



Mocht dit verhaal zich nu afspelen dan zou Herman, onze pastoor zich met het PT bezig houden met de verkondiging en zeven mensen zouden verkozen worden voor het dienstbetoon.

We komen hier seffens op terug.  Want die 7 zijn er duidelijk meer dan 77.



De manier waarop de apostelen te werk gaan, is eigenlijk fantastisch.  Ze doen een voorstel en de gemeenschap mag zelf kiezen. Dus geen beslissing van bovenuit, maar democratie van hoog tot laag.

Verder wordt ook duidelijk dat dienstwerk niet minderwaardig is ten opzichte van verkondiging, want de apostelen leggen, na een gebed, de zeven in een zegenend gebaar de handen op.  Verkondigen, vieren en dienstbetoon: de eerste christenen zagen het als één geheel.



Verkondigen, vieren en dienstbetoon zijn vandaag nog altijd de kerntaken van de Kerk.

Maar anders dan bij de eerste christenen is er geen democratie meer. Een kleine bovenlaag van mannelijke geestelijken heeft door de eeuwen heen de macht naar zich toegetrokken, en wil verkondigen en vieren voor zichzelf voorbehouden. Volgens hen mogen leken bijvoorbeeld niet preken, en zeker niet voorgaan in de eredienst.



Lieve mensen, die zeven over wie het vandaag in de eerste lezing gaat, zijn de voorlopers van de miljoenen vrijwilligers die de Kerk in beweging houden. Van kosters over bloemschiksters, zangers en kerkpoetsers, parochieraden en parochieteams, kerkfabrieken en parochiale werkers, ziekenzorgers en cathechisten, mensen die koken, mensen die tappen, die bouwen en onderhouden, mensen die begaan zijn met liefdadigheid, met welzijnszorg en broederlijk delen, mensen die altijd klaar staan voor de jeugd, voor de  ouderen in de parochie. 

Mensen die anderen steunen in hun rouwperiode.  Miljoenen vrijwilligers aan wie ik vandaag hulde zou willen brengen, want net zo goed als de geestelijkheid houden zij het schip van de Kerk op koers.

Zonder hen zou het zonder meer zinken.



Vandaag zegt Hij in het evangelie: ‘In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.’ Misschien zouden we ons allen die woorden wat beter in ons hoofd en in ons hart moeten prenten. Dan zouden er meteen veel minder spanningen zijn binnen onze Kerk en zou wederzijds respect de boventoon voeren.

En toch moeten we ook luisteren naar de redenen waarom zo velen, jong en oud, zich van het geloof afkeren.  Niet alleen van het geloof en het kerkbezoek maar straks ook van het dienstbetoon.



Er is natuurlijk de teleurstelling over een Kerk die de taal van deze tijd niet spreekt, over priesters die liefde preken en tegelijk dingen doen waar de kranten vol van staan, over kerkmensen die uitgeblust zijn, over kerkgangers waar niet de minste werfkracht van uitgaat...

Ja en dit gaat misschien wel over ons. 

We tellen elke maand de afvalligen maar doen we er iets aan? 

Spreken we hen terug aan, zien ze aan ons dat we voort gaan, ondanks alles…

Zien ze onze geloofwaardigheid? 

Zien ze dat wij mensen aan God concrete handen en voeten en een gezicht geven?  Wij geven God gestalte !  Voelen ze ons uitnodigend gebaar? 



Als ik de krant lees en ik kom aan de bladzijde met de overlijdensberichten dan tel ik steeds hoeveel overledenen in een kerk begraven worden. Soms is dit 9 op 9.  (zal misschien ook wel afhangen welke krant men leest) maar de verhouding is groot.   Dienstbetoon betekent dan ook, zet uw kerk open voor elk moment.  Hoeveel % van de eerste of plechtige communicanten zien we nog terug?

Hoeveel jonge gezinnen tellen we nog onder de kerkgangers.

Er is stof genoeg om er dringend iets aan te doen.  Maar wat we ook uitvinden, we MOETEN ons uitnodigend opstellen.  Een enorme taak, een prioriteit voor die 7 of voor die geloofsverkondigers? 

Ik denk voor allemaal.  Voor het PT maar ook voor u en voor mij.