5e zondag in de paastijd A - 2011

Zusters en broeders,

Van bij het begin zag de jonge christelijke Kerk drie fundamentele taken: de Gods Woord verkondigen, biddend en vierend samenkomen en dienstwerk verrichten voor mensen in nood. Aanvankelijk namen de apostelen alle drie die taken op zich. Maar in de eerste lezing horen we dat dit niet langer mogelijk is. Er ontstaan spanningen tussen joodse en niet-joodse christenen over de ondersteuning van de weduwen. Die spanningen moeten opgelost worden. De twaalf zeggen heel beslist dat ze de verkondiging van Gods Woord niet willen verwaarlozen ten voordele van het dienstbetoon, maar tegelijk mag dat dienstbetoon niet achtergesteld worden. Daarom stellen ze voor dat de gemeenschap zeven mannen uit haar midden zou kiezen die voor het dienstbetoon zouden instaan. Zijzelf zouden zich op de verkondiging blijven concentreren.

De manier waarop de apostelen te werk gaan, trekt sterk de aandacht. Ze doen een voorstel en de gemeenschap mag zelf kiezen. Dus geen beslissing van bovenuit, maar democratie van hoog tot laag. En ook geen veto’s tegen deze of gene. Geen van die mannen bijvoorbeeld is jood van geboorte. Van  Nikolaüs, de laatste  die vernoemd wordt, wordt zelfs uitdrukkelijk gezegd dat hij een proseliet is, dus een heiden die zich tot het jodendom bekeerd heeft. En nu is hij christen. Verder wordt ook duidelijk dat dienstwerk niet minderwaardig is ten opzichte van verkondiging, want de apostelen leggen, na een gebed, de zeven in een zegenend gebaar de handen op.

Verkondigen, vieren en dienstbetoon: de eerste christenen zagen het als één geheel, Zoals blijkt uit het vervolg, verkondigden ten minste twee van die diakens nadien net zo goed als de apostelen zelf, en ze werden daarvoor niet op de vingers getikt, integendeel, ze kregen alle steun. Bidden en vieren ten slotte gebeurde in gemeenschap, dikwijls in het huis van een of andere christen.

Verkondigen, vieren en dienstbetoon zijn vandaag nog altijd de kerntaken van de Kerk. Maar anders dan bij de eerste christenen is er geen democratie meer. Een kleine bovenlaag van mannelijke geestelijken heeft door de eeuwen heen de macht naar zich toegetrokken, en wil verkondigen en vieren voor zichzelf voorbehouden. Volgens hen mogen leken bijvoorbeeld niet preken, en zeker niet voorgaan in de eredienst.

Zusters en broeders, die zeven over wie het vandaag in de eerste lezing gaat, zijn de voorlopers van de miljoenen vrijwilligers die de Kerk gaande houden. Van kosters over misdienaars, zangers en kerkkuisers, parochieraden en parochieploegen, kerkfabrieken en ziekenzorgers, mensen die koken, bouwen en onderhouden, mensen die begaan zijn met liefdadigheid, met welzijnszorg en broederlijk delen, mensen die altijd klaar staan voor de parochie. Miljoenen vrijwilligers aan wie ik vandaag hulde zou willen brengen, want net zo goed als de geestelijkheid houden zij het schip van de Kerk op koers. Zonder hen zou het zonder meer zinken.

Ik wil daar nog het volgende aan toevoegen: ik denk dat we ons als Kerk veel meer aan de eerste christenen moeten spiegelen, en de Kerk, dat zijn we allen: geestelijken en leken, mannen en vrouwen, jong en oud. Het enthousiasme van die eerste christenen, hun inzet, hun daadkracht, hun geloof, hun onderlinge liefde zijn ons tot voorbeeld. Veel meer dan wij leefden zij in het besef dat het niet om henzelf of om het instituut Kerk, maar om Christus ging en gaat. Hij is de wijnstok, wij zijn de ranken. Niet wijzelf of het instituut Kerk, maar Jezus is de kern, de zin van ons bestaan en het Hoofd van de Kerk. Vandaag zegt Hij in het evangelie: ‘In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.’ Misschien zouden we ons allen die woorden wat beter in ons hoofd en in ons hart moeten prenten. Dan zouden er meteen veel minder spanningen zijn binnen onze Kerk en zou wederzijds respect de boventoon voeren.

Zusters en broeders, het geloof dat Jezus de kern om wie het draait, en de bezieling van de eerste christenen: dat wens ik ons allen toe. Amen.