Van God of van de keizer, wiens beeld dragen wij in ons binnenste? (2005)

Wel of geen belasting betalen aan de Romeinse Keizer,
die Palestina bezet hield,
was niet alleen een politiek probleem
waarover de Joden het onder elkaar oneens waren,
maar het was ook een religieus probleem.
Want de belasting moest natuurlijk worden betaald
met Romeinse munten.
Maar op die Romeinse munten stond geschreven:
"Aan Tiberius, zoon van de goddelijke Augustus"
Een Romeinse munt aanraken, betekende
voor de strikt gelovige Joden
dan ook zoveel als een godslastering
en was dan ook door de Joodse wet verboden.
Jezus staat voor een dilemma:
Hij kan niet antwoorden dat men niet verplicht is
de belasting aan de keizer te betalen,
want dan zouden de partijgangers van Herodes,
die de Romeinen steunden,
Hem zeker beschuldigen van opstandigheid tegen het wettelijk gezag.
Antwoordt Hij dat men wel verplicht is de belasting te betalen,
dan zou de andere strekking nl. de strenge Farizeeërs
Hem zeker verwijten geen echte Jood te zijn,
maar de Romeinse Keizer als god te erkennen
in plaats van Jahweh.

Jezus ontmaskert eerst hun huichelarij.
Hij vraagt de belastingsmunt te zien.
Met tegenzin moeten zijn aanvallers toegeven
dat zij die verfoeide Romeinse munt wél in hun beurs dragen
en uit opportunisme blijkbaar toch gebruiken.

Maar dan dient Hij hen ook van antwoord.
"Geef aan de Keizer wat aan de Keizer toekomt,
maar geef aan God wat aan God toekomt!"
Wij vragen ons natuurlijk af: "Wat komt er dan wel aan God toe?"

Jezus zegt eigenlijk:
"Wat het beeld van de Keizer draagt, komt toe aan de Keizer".
Wij mogen dus vervolledigen:
"Aan God komt toe wat het beeld van God draagt"
Welnu wie of wat draagt het beeld van God?
Dat is de mens zelf, die geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis.
Wat behoort dus uiteindelijk nooit toe
aan de Keizer, aan de staat of aan de politieke machten?
De kern van de mens, die van God is,
zijn diepste wezen zelf, zijn vrijheid, zijn unieke persoon,
zijn beminnenswaardigheid, zijn eeuwigheidsdrang.
Daarover heeft geen enkele menselijke organisatie macht.
Jezus zegt dus dat het gezag van God uiteindelijk altijd
boven die politieke machten staat,
die het wezen van de mens zouden willen verknechten.
Een politieke structuur is nooit absoluut, maar steeds relatief
dwz. aanvaardbaar in zoverre zij de kern van de mens dient,
de mens respecteert als unieke persoon en als kind van God.

Hiermee wordt dus helemaal niet gezegd
dat geloof en politiek totaal gescheiden zijn van elkaar.
Het is niet zo dat een deel van de mens - vb. zijn openbaar leven -
aan de Staat zou toebehoren
en een ander deel - vb. zijn privé-leven - aan God,
als twee gescheiden domeinen zonder invloed op elkaar.
Het evangelie moet integendeel invloed hebben
op de concrete organisatie van onze maatschappij.
De christen wordt opgeroepen juist vanuit zijn geloof
mee te werken aan de opbouw
van een meer menswaardige samenleving.

Het evangelie van vandaag brengt ons dus
geen concrete aanwijzingen over onze houding in de politiek.
Het is wel een waarschuwing voor elke machthebber, groot of klein.
Politieke macht is enkel verantwoord
als zij ten dienste staat van de menselijke waardigheid.
Boven elke maatschappelijke ordening
staat het Rijk van Gods Liefde.

Met deze waarschuwing voor ogen vragen wij ons af:
"Wiens beeld of opschrift dragen wij in ons binnenste mee?
Behoren wij toe
aan één of andere afgod of kleinmenselijke macht
of behoren wij toe aan de God van de Liefde?"