Geloof zonder pretentie doorbreekt alle grenzen, vroeg of laat (2005)

De ontmoeting van vandaag is een uitzondering.
Met niet-Joden heeft Jezus waarschijnlijk weinig contact gehad.
Hij richtte Zich op de eerste plaats
tot de Joodse mensen die toen in Zijn streek Palestina woonden.

Bij hen predikte Jezus het ideaal van de openheid,
óók voor diegenen die in hun joodse maatschappij werden uitgestoten:
zieken, armen, tollenaars en zondaars.
In heel Zijn optreden komt Jezus naar voren
als Iemand die al de muren en de discriminaties wil afbreken
die door de wet en de godsdienst artificieel waren opgebouwd.
Het uiterlijk onderscheid tussen zieken en gezonden,
tussen zondaars en zuiveren wordt doorbroken,
want God is een God van liefde
die allen aanspreekt van binnen, in het hart.
Openheid jegens allen dus, zonder discriminatie.
Dat is Jezus’ levenshouding.

Maar vandaag komt Jezus uitzonderlijk in contact
met een buitenlandse, een niet-joodse vrouw uit Kana.
Waarom probeert Hij haar af te schepen?

Jezus wilde aan alle mensen verkondigen
dat er een God is die hen allen zonder onderscheid graag ziet,
maar ‘tactisch’ verkiest Hij daarvoor
‘plaatselijk, in een beperkte streek’ te beginnen.
Tijdens Zijn drie jaar openbaar leven
kiest Hij ervoor naar de steden en dorpen van Palestina te trekken,
om met die bekering van het hart bij de Joden te beginnen.
Later zullen Zijn leerlingen wel over de grenzen trekken
en de blijde boodschap verkondigen tot aan de uiteinden der aarde.
Maar Hij, Jezus, wil Zich ‘voorlopig’ beperken
tot de verloren schapen van het huis van Israël.
Het eerste antwoord aan de Kananese vrouw
mag dus niet worden verstaan
alsof Jezus hier een principieel racisme verdedigt.
Het vertolkt eerder Zijn gekozen ‘pastorale tactiek’:
de tijd is kort, voorlopig dus eerst de Joden,
later komt dan wel heel de wereld.

Maar na het aandringen van deze buitenlandse vrouw
komt er nog een veel sterkere afwijzing:
“Het is niet goed het brood van de kinderen aan de hondjes te geven!”
Het verkleinwoord verzacht het verwijt misschien een beetje,
maar door de beeldspraak wordt de vrouw
toch grof op haar plaats gezet.
Bijbelgeleerden schrijven dit toe aan de verteller.
Om te begrijpen waarom de evangelist Matteüs
Jezus zulke grove uitspraak in de mond legt,
moeten wij een beetje geïnformeerd zijn
over de situatie in de christengemeente
voor wie dit evangelie bedoeld en geschreven is.

Matteüs’ christengemeente in Noord-Palestina
bestond uit twee soorten christenen:
Joden die zich hadden bekeerd
en niet-Joodse heidenen die zich hadden bekeerd.
Nu bestond er van oudsher bij de strenge, puriteinse Joden
een echt afschuw tegen de niet-joodse vreemdelingen.
Zij noemden hen heel normaal: ‘de heidense honden’.
Maar die Joden, die christen waren geworden,
moesten nu samen met die vroegere ‘heidense honden’
aan dezelfde tafel Eucharistie gaan vieren.
Zij deden het, maar er bleven spanningen en vragen bestaan.
“Mogen de bekeerde heidenen wel met evenveel recht
deelnemen aan de Eucharistie van de bekeerde Joden?”
Matteüs zal daarom in zijn evangelie
bepaalde elementen benadrukken
om de joods-christelijke gelovigen ervan te overtuigen
dat Jezus’ boodschap met evenveel recht bestemd is
voor hun heidens-christelijke medegelovigen.
Daarom beschrijft hij met veel verve
enkele persoonlijke ontmoetingen met Jezus
waar het geloof van de heidense vreemdelingen
zelfs sterker is dan dat van de Joden.
In het verhaal van vandaag beschrijft Matteüs
hoe de Kananese vrouw zelfs Jezus gaat overtuigen,
die uiteindelijk Zijn bewondering uitspreekt voor haar sterk geloof.
Hoe zouden de bekeerde Joden in de gemeente van Matteüs
dan nog niet overtuigd zijn
van het vurig geloof van de bekeerde heidenen?

En waarom prijst Jezus zo uitdrukkelijk
het geloof van de heidense vreemdelingen?
Omdat dit geloof een nederig geloof is,
dat zich - in tegenstelling tot het geloof van de Joden -
niet hoogmoedig beroept op de eigen afkomst of de eigen verdiensten.
Echt geloof kan inderdaad nooit gebaseerd zijn op de overtuiging
dat wij wel een voetje vóór hebben bij God,
omdat wij van onze geboorte af tot een gelovig volk behoren.
Echt geloof is nooit een automatisch verworven gewoonte,
maar een dagelijkse en persoonlijke keuze voor de liefde,
bij elke nieuwe ervaring in het leven.
En echt geloof is ook niet gebaseerd op de pretentie
dat wij, door het onderhouden van religieuze voorschriften,
verdiensten kunnen verwerven,
zodat God eigenlijk een beetje verplicht is goed te zijn voor ons,
vermits wij reeds zoveel voor Hem deden.
Echt geloof steunt niet op ónze verdiensten,
maar is een dankbaar antwoord op Gods overstelpend aanbod.

In de christelijke gemeente van Matteüs
probeerden sommige christenen toch nog grenzen te trekken
en onderscheid te maken tussen gelovigen.
Misschien gebeurt dat ook nog in de onze.
De boodschap van het evangelie van vandaag luidt echter:
Echt geloof is nederig en liefdevol
en dat geloof doorbreekt alle grenzen,
vroeg of laat!