Het geloof van de Kanaänitische (2005)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 121 niet laden

* Het evangelie volgens Mattheus, dat wij elke zondag voorlezen,  bereikte zijn eindredactie enkele tientallen jaren na Jezus’ dood. Het resultaat van een trouwe maar levende mondelinge overlevering.  Die tijd viel samen met de eerste vruchten van het indrukwekkend missiewerk van Paulus en andere leerlingen, een periode waarin de jonge Kerk duidelijk geconfronteerd werd met de opname van de heidenen of niet-Joden.  De eerste christenen  immers waren  alleen Joden.

*  Tegen die achtergrond is het sprekend waarom de pas beluisterde anekdote uit Jezus’ leven  in het evangelie zeer zinvol zijn plaats kreeg:  de ontmoeting van Jezus met de Kanaänitische vrouw.  Heel het evangelie van Mattheus ademt openheid naar de heidenen: vanaf het bezoek van de magiërs bij de pasgeboren Jezus tot bij de finale: “ Gaat en onderwijst alle volkeren…” (Mt 28, 19)

1.  Merk op dat Jezus zelf niet aan missie buiten Palestina begint. Dat zal later voor zijn leerlingen zijn, maar nog niet onmiddellijk. Bij hun eerste zending had Hij hun gezegd: “ Neemt niet de weg van de heidenen, en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen; gaat veeleer naar de verloren schapen van het huis van Israël.” ( Mt 10, 5-6).  Ook zijn persoonlijke zending beperkte zich tot de “verloren schapen van het huis van Israël” (Mt 15, 24). -   Als Hij  nu aankomt in het grensgebied van wat vandaag Libanon is, dan doet Hij dat alleen omdat Hij zich gewoon terugtrekt uit een gevarenzone. Jezus trekt zich vaak terug in het Mattheusevangelie. Het voorspel lazen we al in het kindsheidevangelie: de  uitwijking naar Egypte; en eenmaal terug, niet naar Judea, maar naar Nazareth: telkens uit vrees voor een koning uit het huis van Herodes (Mt 2, 14 en 22). Dat deed  eveneens Hij na de arrestatie van Johannes de Doper, en opnieuw waneer deze vermoord was  (Mt 4,12 en 14, 1-3).  Dan weer na de dreiging van de Farizeeën (Mt 12, 14-15), zoals ook nu  na een discussie met hen over rein en onrein (Mt 15, 21).  Wie zijn de ware reinen en onreinen?

- In dat heidens grensgebied komt Hem een  vrouw tegemoet. Mattheus noemt haar een “Kanaänitische”. Die benaming valt buiten de tijd. Het is net alsof wij  vandaag een Française een Gauloise of Keltische zouden noemen. Marcus spreekt eigentijds en noemt haar een “Syro-fenicische”.  Hiermee verwijst Mattheus naar de tijd van Abraham, aan wie het heidense Kanaän als beloofde land werd toegezegd.  Hoe dan ook, zij is niet-Joods.  Zij vraagt Jezus met aandrang dat Hij haar kleindochter  van een boze geest zou bevrijden. Typisch voor een heidense streek.  De duiveluitdrijvingen van Jezus gebeurden nooit in Judea, het hart van het Jodendom;  wel in de grensgebieden waar  heidense invloed was, en waar de rivaal van Jahweh zich thuis voelde.

2. Feitelijk is in dat verhaal veel meer aan de hand. - Het is wonder hoe die heidense vrouw Jezus aanspreekt met Joodse titels: “Heer, Zoon van David, heb medelijden met mij.” – In de aanroeping “Heer” zitten we in de taal van de Joodse psalmen. De Heer is God. Daarom schrijft Paulus aan de Romeinen: “  Indien gij belijdt dat Jezus de Heer is… zult ge gered zijn. “ ( Rom 10,9).  Dat is de belijdenis van Jezus’ godheid. -  In de aanroeping “Zoon van David” ligt de erkenning dat Jezus de Messias is. De taal die ze gebruikt is echt Joods-christelijk. - Ze valt plat ter aarde, teken van aanbidding en herhaalt: “Heer, help mij.” Ze  lijkt al iets van het Joodse geloof te kennen, en is in haar deemoed  totale openheid  voor wat Jezus brengt.

- Eerst schonk Jezus haar ogenschijnlijk geen aandacht. Maar uiteindelijk richt Hij zich tot haar:  “Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven”. Tegenover “kinderen” (eigen volk) staat het woord “honden” (kynaria; niet staathonden - die waren onrein - maar huisdieren).  Waarop de vrouw met humor de bal terugkaatst: ”Wel waar, Heer, want de huishonden eten toch ook de kruimels die van de tafel vallen.” Dit verhaal is zinvol ingekapseld tussen de twee broodvermenigvuldigingen. Daar bleven eerst 12 en dan 7 korven restafval. Na de massale spijziging van de Joden mag datgene wat rest, toch naar de heidenen gaan.

*  Die vrouw aanvaardt het een huishondje te zijn. Zij wil - heel bescheiden - behoren  tot het huis  van Israël. Het kind  wordt van de boze geest bevrijd: de band met het heidendom is verbroken.  De opneming in het Godsvolk is gebeurd: “Vrouw, ge hebt een groot geloof”. Het doet denken aan Jezus’ woord bij de genezing van de knecht van de honderdman, ook een heiden: “ Bij niemand in Israël heb ik een zo een groot geloof gevonden.”(Mt 8,10) - Die Kanaänitische vrouw staat hier als de verpersoonlijking van heel het heidendom, dat in die dagen klopte aan de deur van de jonge Kerk om in haar Boodschap te mogen delen. Tijdens de vorige drie weken was ik op twee internationaal bekende Mariale bedevaartsoorden getuige van de levenskrachtige en kleurrijke universaliteit van de Wereldkerk: Kerk van alle volkeren. Dat wordt volgende week opnieuw de grote ervaring van de Jongerendagen in Keulen. En die visie leefde reeds in de bijbel van de Joden: “De vreemdelingen die zich bij de Heer aansluiten om Hem te dienen,… breng Ik naar mijn heilige berg… Mijn huis zal worden genoemd een huis van gebed voor alle volkeren.” (Jes 56, 6-7  -  eerste lezing).