De man op de achtergrond

 

In het vierde evangelie is er geen kerstverhaal, tenzij de zware theologische tekst over het Woord dat vlees is geworden. Johannes vernoemt de moeder van Jezus in het verhaal van Kana en onder het kruis. Van Jozef is er nauwelijks melding. Men gaat er trouwens van uit dat Jozef al overleden is wanneer Jezus als dertigjarige Nazareth verlaat en naar Johannes de Doper toegaat. Filippus vertelt aan Nathaniël over zijn ontmoeting met Jezus: “Degene over wie Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Hem hebben we gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth” (Joh. 1,45). In Kafarnaüm reageren toehoorders sceptisch op de Broodrede van Jezus. Zij zeiden: “Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, en kennen wij zijn vader en moeder niet? Hoe kan hij dan zeggen: Ik ben uit de hemel neergedaald?” (Joh. 6,41).

Jozef van Nazareth

Marcus, het kortste en oudste evangelie, heeft evenmin een kerstverhaal. Hij brengt ons eenmaal in Nazareth, in de vaderstad van Jezus, maar hij vermeldt echter zijn vader niet. Hij noteert slechts de verbaasde vraag van de toehoorders van Jezus, nadat deze in de synagoog het woord had genomen: “Is dit niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?” (Mc. 6, 1-3).

Met Lucas verblijven we iets langer in Nazareth en krijgen wij Jozef, de pleegvader van Jezus, meer in beeld, zij het zijdelings. Jozef is de verloofde van Maria. Hij is uit het huis van David (Lc. 1,26). Daardoor moet hij met zijn zwangere vrouw optrekken naar Bethlehem wanneer de keizer een volkstelling liet houden (Lc. 2,4). Jezus wordt daar geboren en in een kribbe gelegd, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg. Herders komen bij de geboorteplek en vonden er ‘Maria en Jozef en het pasgeboren kind, dat in de kribbe lag” (Lc. 2, 16).

Maria en Jozef houden zich aan de voorschriften van de Wet en “zij brachten het Kind naar Jeruzalem om het aan de Heer op te dragen” (Lc. 2,22). Zij horen er de zegeningen die de oude Simeon en de bejaarde Anna over het kind uitspreken. Zijn vader en moeder stonden verbaasd wat over Hem gezegd werd” (Lc. 2,33). Nadat zij alle voorschriften vervuld hadden van de Wet van de Heer keerden zij naar Galilea, naar hun stad Nazareth terug” (Lc. 2,39). Zoals het in een Joods gezin hoorde, zal Maria daar het kleine kind opgevoed hebben en zal Jozef hem in de Thora ingewijd hebben.

“Zijn ouders reisden ieder jaar, bij gelegenheid van het paasfeest, naar Jeruzalem” (Lc.2,41). Dit hebben ze ook gedaan wanneer Jezus twaalf jaar geworden was. Lukas geeft het verhaal dat Jezus daar achterbleef zonder dat zijn ouders het wisten en dat zij hem na drie dagen zoeken in de tempel terugvonden. Maria drukte daarover haar bezorgdheid uit en zegt tot haar twaalfjarige zoon: “Kind, waarom hebt Ge ons dit aangedaan? Denk toch eens, met wat een pijn uw vader en ik naar U hebben gezocht.” (Lc. 2, 48). Jozef en Maria zullen regelmatig over het antwoord van Jezus nagedacht hebben: “Wist je dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn” (Lc. 2,49). Jezus is met zijn ouders meegegaan naar Nazareth en was hen onderdanig (Lc. 2, 51).

De zoon van Jozef, de timmerman

Jozef heeft de jonge Jezus een beroep bijgebracht. “Wie zijn kind geen handwerk leert, maakt er een rover van” zo luidt een rabbijns gezegde. Jozef en Jezus worden beiden als timmerman aangeduid. Een timmerman bewerkte niet alleen hout, maar ook stenen. Was er in het kleine Nazareth werd voor twee zulke ambachtslui? Zou Jozef als bouwvakker gewerkt hebben op een werf in Sepphoris, dat in zijn tijd heropgebouwd werd en niet ver van Nazareth lag?

Lucas maakt geen vermelding van het beroep van Jezus en van dit van zijn vader. Hij noteert wel de verbazing van de dorpsgenoten van Jezus wanneer hij optreedt in de synagoge, waar “woorden vol genade uit zijn mond vloeiden.” Zij stellen onder elkaar de vraag: “Is deze niet de zoon van Jozef?” (Lc.  4,22).

Mattheus legt de toehoorders meer woorden in de mond. Zij vragen: “Waar heeft hij die wijsheid vandaan en de macht om wonderen te doen? Is hij niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jakobus, Josef, Simon en Judas? Wonen zijn zusters niet allen bij ons. Waar heeft hij dit alles vandaan? En zij namen er aanstoot aan”(Mt. 13, 55).

Uit het huis van David

Mattheus heeft in zijn kindsheidsevangelie meer dan Lucas aandacht voor Jozef. Hij begint zijn evangelie met een stamboom van Jozef, de man van Maria uit wie “Jezus werd geboren, die Christus genoemd wordt” (Mt. 1,16). In deze geconstrueerde stamboom ligt de nadruk op David. Jezus is vooral gesitueerd in de Joodse geschiedenis als afstammeling van Abraham en alvast als afstammeling van David. Ook Lucas heeft een geslachtslijst van Jezus. Deze was in de opvatting van de mensen de zoon van Jozef (Lc. 3,23). Doorheen veel voorvaderen klimt Jezus in de stamboom van Lucas uiteindelijk op tot Adam de zoon van God (Lc. 3,37).

Maar zowel voor Lucas als Mattheus bepaalt een andere lijn de oorsprong van Jezus. “Het is vanuit de kracht van de Allerhoogste.” Dit is de boodschap van Gabriël aan Maria (Lc. 1,35). In het evangelie van Mattheus krijgt Jozef deze boodschap te horen: “Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de Heilige Geest” (Mt. 1,20-21).

Het kerstverhaal bij Mattheus concentreert zich op Jozef. Hij krijgt een fijn compliment. Hij wordt geprezen als een rechtvaardig man, een man van gerechtigheid. Hij staat voor een heel groot probleem. Hij was verloofd met Maria en “deze was zwanger van de Heilige Geest”, schrijft Mattheus. Het kind is niet van hem! Op een delicate wijze wil hij daarom van Maria scheiden. Hij spant geen gerechtszaak in en hangt het evenmin aan het klokzeel. Hij zet het niet op facebook, maar hij worstelt met de vraag hoe juist te handelen zonder pijn te veroorzaken.

Mattheus is de eerste twijfelaar in het evangelie van Mattheus. Twijfelaars blijven er tot het einde. Zelfs na de verrijzenis en bij de zending van de apostelen op het einde van zijn evangelie noteert Mattheus dat ‘sommigen twijfelden” (Mt. 28, 17).

Zijn twijfel wordt weggenomen wanneer hij in de nacht langs een droom een boodschap van de engel ontvangt: “Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw tot u te nemen. Zij zal een zoon ter wereld brengen die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit zijn zonden.” (Mt. 1, 20-21). Jozef zal schroomvol met deze boodschap en deze wetenschap omgaan. Wellicht herleest hij van dan af de hem gekende teksten en gebeden uit de Schrift en begrijpt deze als aanzet van de messiaanse tijd.

Bij Mattheus hebben de droom en de nacht een heilzame invloed. Misschien ook voor ons. Tomas Halik schrijft daarover in zijn boek De nacht van de biechtvader:

“Het is weer laat in de avond en zo meteen ga ik naar bed voor de ‘dienst van de slaap’ – zoals ik deze noem, sinds ik over Rahners theologie van het alledaagse mediteerde. Niet alleen het 'gebed voor het slapengaan’, maar de slaap zelf is en daad van vertrouwen in Gods wereldorde, is elke dag een klein instemmend hoofdknikje, een oefening voor het moment waarop we alles uit ons hoofd moeten zetten en uit handen geven, waarop we helemaal niets meer onder controle hebben, wanneer wij onszelf geheel onderdompelen in het geheim en de verrassing waarvan het dromenrijk, waarin het onmogelijke mogelijk wordt, een voorsmaak is. Moge onze laatste droom, waarin we zullen ontwaken in het nooit meer dovend licht van paasmorgen, vrij zijn van de angst en verwarring die zo vaak aanwezig zijn in onze aardse dromen. Het is een opluchting me te slapen te kunnen leggen nadat ik eerst mijn dag in gebed in Gods hand heb teruggelegd, hen die nabij zijn en verder weg hem heb overgedragen, en ook de dag van morgen, ja, zelfs de hele wereld inclusief het kleine stukje dat aan mijn verantwoordelijkheid is toevertrouwd. En ook dat zal ik eens geheel aan hem overdragen. Wat een opluchting, denk ik bij mezelf wanneer ik bijna in slaap val, wanneer ik ‘de wereld loslaat’, wat een vrijheid, wat een vreugde – dat ik God niet ben!” (o.c. p. 88).

Zin voor verantwoordelijkheid

Jozef neemt zijn verantwoordelijkheid op. Hij gaat met vertrouwen naar Maria en noemde het kind, dat zij baarde Jezus (Mt. 1,24).

Jezus is geboren in Bethlehem. Wijzen uit het Oosten komen daar naar de plaats waar het kind zich bevond. “Zij gingen het huis binnen, zagen er het kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden ze het hun hulde” (Mt. 2,11). Van Jozef is er geen sprake. De schilders van dit tafereel plaatsen hem op de achtergrond.

Maar na het vertrek geraakt Jozef in een wervelwind. Herodes zoekt het kind te doden. Jozef krijgt de opdracht met het kind en zijn moeder te vluchten naar Egypte (Mt. 2, 13). In zijn wreedheid beveelt Herodes de kindermoord. Pas nadat Herodes gestorven is, is het veilig terug te keren. Toch duurt het nog even eer hij, Maria en het kind zich in Nazareth kunnen vestigen ( Mt. 2,23).

Jozef, de man van Maria en een pleegvader van het goddelijk kind, neemt in het evangelie nergens het woord. Hij is een van de figuren uit het Nieuwe Testament die nergens spreekt en toch sterk tegenwoordig is. “Hij gaat bij zichzelf te rade, luistert en gehoorzaamt. Iets machtigs en stil leeft in hem, - iets als een ademtocht van de stille, alomtegenwoordige ademtocht van de Vader in de hemel” (R. Guardini). Jozef is een man met verantwoordelijkheidszin voor Maria en haar kind. Hij ontwijkt de risico’s niet. Hij heeft een woord dat zo vaak voorkomt in de Bijbelse boodschap vertrouwd zonder roekeloos te zijn: “Wees niet bevreesd.”

Mij is een woord bijgebleven van jonge mensen bij het begin van de jaren zeventig. Het ging over sombere vooruitzichten in de wereld, over mogelijke atoomgevaren. Ze zeiden dat het hen onverantwoordelijk leek kinderen het leven te geven. Ik beluisterde onlangs het verhaal van een vrouw met drie kinderen. Ze is van vreemde origine, ze is ongeletterd en moest thuisgebonden blijven. Haar man is van huis weggegaan. Hij is naar een andere land om zo aan de plicht tot alimentatie te ontsnappen.

Even waag ik me aan de vraag naar de anonieme spermadonors. Heeft een kind niet het recht te weten wie aan de oorsprong van zijn bestaan hebben gestaan? Leidt het niet onder een gemis van een vader?

In een maatschappij, die vaderloos lijkt en vaderloos wil zijn, staat Jozef als de zorgzame voor wie en wat hem is toevertrouwd.